De Vlaamse beweging is een zeer oude beweging en heeft bijgevolg een zeer rijke geschiedenis, maar spijtig genoeg een veel minder rijke herinnering. Het verleden wordt slechts gedeeltelijk en sporadisch aangehaald, en vaak niet in positieve zin. De Fronters zijn achtergebleven in lang toegegooide loopgraven, de Vlaams Katholieken zijn hun Vlaams karakter ergens in de catacomben verloren, en ga zo maar voort. Enkel het vaak door anti-nationalistische personen aangehaalde spook van de collaboratie blijft bestaan. Het vergeten van onze rijke geschiedenis zou onze ideologie schande aandoen en zeker wij als conservatieven zouden deze geschiedenis moeten bewaren. Vandaar hoop ik met een kleine wandeling door de geschiedenis de wijze lessen daarvan in herinnering te brengen.
In den beginne was er de taal

De Vlaamse beweging gaat, in tegenstelling tot wat je zou denken, terug tot voor het ontstaan van België. Onder Frans en Oostenrijks bewind was er echter het startschot voor later conflict: de verfransing. Het Frans nam een steeds prominentere plaats in, tot ergernis van sommige Nederlandstaligen. Enkel het ontstaan van het Verenigd Koninkrijk der Nederlanden riep dit een halt toe, wegens extensieve pro-Nederlandse politiek van Willem I. Het VKN was evenwel geen lang leven gegund, onder andere wegens dat taalconflict. In 1830 zal door revolutie het Koninkrijk België zich afscheiden.
De ongelijkheid is sprekend. De school was van middelbaar tot en met hoger onderwijs Frans, het gerecht werkte quasi uitsluitend in het Frans en in het parlement moest men het ook niet proberen om Nederlands te spreken. Kortom, het Nederlands werd geminacht en achtergesteld. Dit tot in de mate dat Cassatie de wet op taalvrijheid aanhaalde om het Nederlands aan hoven en rechtbanken te verbieden, iets wat nu een flagrante schending van de rechten van de verdediging zou uitmaken.
Deze strijd voor gelijkheid is echter een die vooral gevoerd wordt door een hogere middenklasse, mensen die opgeleid zijn en er tijd voor hebben. Dat maakt dat de strijd een zeer cultureel kantje heeft en figuren voortbrengt als Gezelle, Conscience en Rodenbach. Ook de studenten die ons voorgingen mengden zich hevig, onder andere het piepjonge KVHV. Er komt ook veel steun uit Katholieke hoek, en het is ook die partij die veel Taalwetten zal stemmen. Wat wel opvalt in die tijd is een brede Vlaamsgezindheid die zich over partijgrenzen uitstrekt. Het is geen eigendom van politiek links of rechts, maar een algemene strijd voor gelijkheid. Zo kan men bijvoorbeeld naar zowat de bekendste eis kijken: de vernederlandsing van de Universiteit van Gent. Hiervoor zal gepleit worden door de “drie kraaiende hanen”: liberaal Louis Frank, socialist Camille Huysmans en katholiek Frans van Cauwelaert.
Het einde van vrede: de Grote Oorlog
De Grote Oorlog brak uit in 1914, op het moment dat ruzie tussen Vlaanderen en Wallonie een hoogtepunt bereikt had. Er werd uit Waalse hoek met bestuurlijke scheiding gedreigd, iets wat in de radicalere flamingantenkringen als valabel werd aanvaard, maar lang nog niet in de publieke opinie. Deze radicalisering, in die tijd betrof dat zulke ideeën, zal echter niet doorbreken wegens de Duitse invasie van België. Koning Albert I roept op tot godsvrede, België moet verenigd zijn tegen deze vijand. De ondertussen symbolische Guldensporenslag wordt in dat kader ook aangehaald om de Vlaamsgezinden mee te trekken. Ondanks deze poging brengt de oorlog het slechtste al snel naar boven, wat resulteert in hernieuwd conflict tussen Vlamingen en Walen zowel in de loopgraaf als daarbuiten. De passivisten, de frontbeweging en de activisten zullen ontstaan.
Studiekringen en gebeden: katholieke achtergrond
Na al het voorgaande zal het ook niet verbazen dat de kern van de Vlaamse Beweging aan het front Katholiek is en vanuit die invalshoek begonnen is. Na de initiële Duitse opmars van 1914 valt het front stil en begint de alom bekende stellingenoorlog. Men kan niet spreken van rust, maar de linies liggen nu stil, waardoor er stabiele communicatie en een vast ritme ontstaan. Geestelijken en de vaak katholieke Vlamingen vormen gebedenbonden, soms Heilighartbonden genaamd, om hun geloof sterk te houden. Ook om het pijnlijk missen van thuis te sussen zullen opgeleide mensen al snel “frontblaadjes” creëren: kleine krantjes die soldaten van dezelfde streek willen bereiken met lokaal nieuws. Het zijn deze 2 groeperingen die de kern van de Frontbeweging zullen vormen, en het is niet verassend dat die geleid worden door de oorspronkelijke kern van de Vlaamse Beweging voor de oorlog: geestelijken en hoogopgeleiden. Zij zagen zichzelf als een elite aan het front, en onder andere hun geloof motiveerde hun om hun moraal en taalgebruik door te geven aan hun medesoldaten. Het is zowat de eerste keer dat de Vlaamsgezinde intellectueel zo nauw met de gewone man verbonden is.
De taalproblematiek aan het front
Men zou vermoeden dat een leger dat gezamenlijk vecht en sterft een zekere verbondenheid zou hebben, en initieel is dit nog gedeeltelijk waar, maar al snel keert de kloof tussen Vlamingen en Franstaligen terug van nooit weg geweest. De officieren zijn zo goed als compleet eentalig Frans of weigeren Nederlands te gebruiken, dit totaal tegen de Legerwet van 1913 in. Dit wordt al snel een heikelpunt, want de Franse officier kijkt neer op de gemiddelde soldaat en al helemaal op flaminganten, en stuurt hem de dood in een taal die hij niet verstaat. Alsof dat nog niet genoeg was, krijgt hij niet eens een kruis in eigen taal op zijn graf. Die oplossing is door de soldaten zelf betaald, studenten hadden elkaar namelijk beloofd dat als een van hun overlijdt, de anderen een heldenhuldezerk op zijn graf zouden zetten, en zo geschiedde in veel gevallen. Dit minderde de frustratie echter niet en ze komt ook al ter ore van politici in ballingschap zoals Van Cauwelaert, die aandringt op oplossingen voordat de zaak escaleert. Dit valt echter op dovemansoren, en de legerleiding blijft haar eentaligheid als fundamenteel beschouwen.
Diezelfde legerleiding faalt er echter in te begrijpen dat ze zo net aanwakkeren wat ze haten, menig soldaat keert richting flamingantisme wegens wanbehandeling door Franstalige officieren. Deze zullen hun repressie nog opdrijven omdat nu ook het activisme bekendraakt. Het resultaat is logischerwijs dat de getroffen soldaten zich ook harder opstellen, waardoor het risico enkel stijgt. Niet iedereen kijkt nog zo op naar België, al is die afkeer nog niet extreem. Waar hij toch te verregaand blijkt, is het vaak de frontbeweging zelf die op de rem gaat staan. Een gewapende opstand is niet wat de beweging wenst, maar de dreiging zit er wel in. Van Cauwelaert en andere leden van de Vlaamse Beweging in het buitenland voeren druk op, maar noch de regering, die zich verschuilt achter godsvrede, noch Albert I noch zijn legerleiding buigt.
De rol van de ridder-Koning
Het zijn dan ook deze intellectuelen en geestelijken die iets zullen doen dat voor veel Vlaams-nationalisten van nu ondenkbaar zou zijn: ze richten zich in 1917 rechtstreeks tot koning Albert I in een reeks open frontbrieven. Dit was met groot risico, want de Franse legerleiding was hun absoluut niet gezind en sterker nog, had hun verboden. Deze brieven geven echter een ander perspectief dan dat we huidig gewend zijn: er is geen sprake van wrok tegen de koning, integendeel, hij wordt aangesproken met lof en de woorden “In u alleen, o Koning, geloven we nog”. De brief wordt evenwel genegeerd, tot verontwaardiging van de Fronters die daarna nog enkele brieven schrijven met steeds concretere eisen.
Of Albert I hier in de fout gaat is betwistbaar, hij staat namelijk ook onder druk van Wallingantisme en kan onmogelijk zijn legerleiding tegen hem in het harnas jagen. Hij bewandelt dus een uiterst dunne lijn. Hoewel zijn ingrijpen tijdens de oorlog te wensen overlaat, verlaat hij nog steeds de frontlinie niet, en zal hij na de oorlog wel nuttig blijken. Voor de oorlog was hij al voor de tweetaligheid te vinden, en na de oorlog zal hij zich wel achter het minimumprogramma scharen. Vergeet zo ook niet de Coup van Loppem. Hem afschilderen als pro-Vlaams Beweging is fout, maar hij is evenmin een boeman.
De gecompliceerde verhouding met koningen zal zich verder zetten, en ondanks het huidig vaak republikeins Vlaams nationalisme heeft Vlaanderen in de koningskwestie van 1950 zwaar voor Leopold III gestemd. Het lijkt mij dan ook dat nationalisme en een koningshuis hand in hand kunnen gaan, al is het makkelijk om de fouten van België op dat koningshuis te projecteren. Een koningshuis lijkt mij echter verdedigbaar uit een conservatief standpunt en als een verbindende factor voor een natie. De huidige problemen met dotaties moeten worden opgelost, maar we moeten daaruit geen haat voor het concept ontwikkelen omdat de huidige uitvoering slecht is. Ons eigen koningshuis heeft goede en slechte dingen gedaan, en dat moeten we beseffen ondanks de huidige problematiek.
Ondergedoken, doch luidruchtig
Albert I zal wel een tegenmaatregel nemen uit angst voor dissidentie en muiterij zoals in het Franse leger door aanstelling van een zeer strikte minister, en al snel wordt het activisme als stok gebruikt om op werkelijk alles Vlaamsgezind te slaan. Ter illustratie: liederenboeken en Nederlandstalige oorlogsmeters waren klaarblijkelijk activistisch. Deze waanzin werkt een verdere radicalisering in de hand, de pesterijen dreven hun verder in de hoek. De beweging was ook een handige zondebok voor incompetentie, en kreeg zo de schuld voor deserties. De minister, Armand de Ceuninck, was uit zichzelf al vooringenomen en dreef de strijd tegen de Fronters op.
Die zouden zich echter niet het zwijgen laten opleggen en gaan door met vliegertochten en het verspreiden van pamfletten. Ook optochten verschijnen regelmatig en er zijn gevallen waar de officier die ze wou stoppen in elkaar is geslagen, wat de grimmige sfeer aanduidt. De politici in het buitenland trekken steeds luider aan de alarmbel, doch tevergeefs. Desondanks blijft België nog steeds het kader waarbinnen het merendeel van de Fronters wil blijven werken, een verbazingwekkend feit, maar niet geheel onbegrijpelijk. Ook in de huidige tijd lijkt het me wijs dat we ons niet blind staren op onafhankelijkheid als onmiddellijk doel. Als we een goed werkend en sterk Vlaanderen kunnen bewerkstellen door een confederaal systeem, zouden we niet moeten aarzelen om die piste te bekijken. Dit is echter geen afwijzen van onafhankelijkheid, maar laat ons de lessen van realpolitik ter harte nemen, al is het tijdelijk.
Het eind van de oorlog en de keerzijde van de munt
Wanneer de oorlog eindigt op 11 november 1918 en de vermoeide soldaten eindelijk huiswaarts kunnen keren, komen zij voor het eerst massaal in contact met de activisten. Voordien hadden enkel de Sublieme Deserteurs, door de frontbeweging gestuurd naar België om contact te leggen hen gesproken. Daardoor hadden de activisten de mening opgedaan dat de soldaten de strijd met de Belgische staat zouden aangaan samen met de activisten, maar zij komen er al snel achter dat dit er niet in zit. Maar weinigen zijn ervoor te vinden en vooraanstaande Fronters kiezen openlijk voor de parlementaire democratie, en het merendeel volgt. De activisten die op de sympathie, die er wel was, van de Fronters rekenden, hadden te hoog gemikt. Ook de bevolking was niet mals voor hun, na jarenlange uitbuiting onder de Duitsers. Dit is een verhaal dat wij ter harte moeten nemen opdat we als elite nooit voeling zouden verliezen met de gewone man, omdat we anders verdrinken in onze eigen idealen. Een idee kan niet leven zonder een volk dat steunt: zo zijn de activisten in hun idealen opgegaan en riepen ze de onafhankelijkheid uit, om er dan achter te komen dat niemand er om gaf. Laten we ervoor zorgen dat het niet nogmaals zo eindigt.
Er zal zich wel een frontpartij manifesteren, en het Verbond der Vlaamse Oud-Strijders (VOS) bestaat tot op vandaag. Het zijn deze 2 die de standpunten van de oude frontbeweging zullen proberen door te drukken. Anderzijds zullen de politici die in ballingschap zaten zoals Van Cauwelaert ook hun steentje bijdragen. Tijdens het interbellum zullen de meer gematigde standpunten echter verdwijnen en extremer worden en in het huidige nationalisme zijn ze met moeite nog terug te vinden.
Moderne wijsheid uit oude lessen
“Nooit meer oorlog, zelfbestuur en godsvrede” waren de oude standpunten, modern vertaald “Vrede, vrijheid, verdraagzaamheid” en voor velen hoorde daar ook “rechtvaardigheid in een waarachtig democratisch en sociaal beleid bij” aldus Hendik Borginon. Het spreekt voor zich dat deze niet meer letterlijk naar onze tijd om te zetten zijn, veel van hun oorspronkelijke eisen zijn in vervulling gegaan, al was het vele, vele jaren te laat. Wat blijft er dan over, vraagt u zich misschien af? Veel. Een streven naar vrede is de meest duidelijke. Een wens om zulk afschuwelijk leed en bloedvergiet nooit meer te laten gebeuren spreekt voor zich. Dat houdt ook een vredevolle samenleving in, waar mensen wensen samen te leven, verbondenheid voelen, kortom: de natiestaat. Zelfbestuur spreekt voor zich, en is iets dat we in theorie hebben, in praktijk niet. Wij besturen onszelf niet, wij zitten vast in een democratisch blok waar 2 kanten elkaar constant dwarsbomen, en wat er dan doorkomt is een flauw afkooksel van wat gewenst was. Godsvrede ligt moeilijker te vertalen, en ik denk dat verdraagzaamheid het wel raakt, doch niet omvat. Godsvrede houdt in dat we bepaalde ideologische tegenstellingen links laten liggen voor een groter goed, Vlaanderen. Net zoals de pro-Vlaamse liberale en katholieke studentenverenigingen dat ooit gedaan hebben, zo zouden ook wij een breder nationalisme in de hand moeten werken. Door opnieuw de culturele kant aan te spreken in plaats van de politieke en zo de links-rechts problematiek te omzeilen. Zo kunnen we hopelijk een nieuwe, bredere Vlaamse beweging in de hand werken, wat nodig is voor een verderzetting van de Vlaamse eisen.
Maar ik denk toch dat de belangrijkste erfenis van deze groep een mentaliteit is, die je nu nog steeds ziet. Keer op keer wordt de Vlaamse wens afgewezen, keer op keer het zwijgen opgelegd en keer op keer zal hij weder opstaan en verdergaan. De Frontbeweging zweeg niet toen ze ondergronds moest gaan, de Frontbeweging zweeg niet ondanks dat werkelijk alle instanties hen tegenwerkte, net zomin moeten wij ons het zwijgen laten opleggen. Dat is wat we moeten meenemen van de Fronters: de wil om door te zetten en om voor een Vlaamse droom te gaan, hoe moeilijk en ver die ook mag zijn. De toorts die zij droegen is nu aan ons doorgegeven, het is aan ons om hem hoog te houden tegen weer en wind. Hun lijken liggen nu als zaden in het zand, hoop op den oogst, O Vlaanderland!
Bronvermelding:
Bauwens, P. (2014). Er is ook een Vlaams verhaal over WOI. Geraadpleegd op 22 november, 2018 via https://doorbraak.be/er-ook-een-vlaams-verhaal-over-woi/
Clijsters, E. (2017). 100 jaar frontbrieven en het begin van de barst in België. Geraadpleegd op 22 november, 2018 via https://www.knack.be/nieuws/belgie/100-jaar-frontbrieven-en-het-begin-van-de-barst-in-belgie/article-opinion-879923.html
De Paepe, H. (2014). Albert I: (anti-) flamingant?. Geraadpleegd op 22 november, 2018 via https://doorbraak.be/albert-i-anti-flamingant/?fbclid=IwAR0J-6b7ggZOPkOj-CLhC3LZUZjpYYV78dOaCSTLkoS-sidHbU8y0NaBqck
Praet, R. (2016). Hier liggen hun lijken als zaden in het zand. Geraadpleegd op 22 november, 2018 via https://doorbraak.be/hier-liggen-hun-lijken-als-zaden-het-zand/
Seberechts, F. (2017). Onvoltooid Vlaanderen: van taalstrijd tot natievorming. (1ste druk). Antwerpen: Uitgeverij Vrijdag.
Vandeweyer, L. (1998). Frontbeweging. In L. Simons (red.), Nieuwe Encyclopedie van de Vlaamse Beweging. Geraadpleegd via http://theater.ua.ac.be/nevb/html/Frontbeweging.html
